De volwassenen wisselden ongemakkelijke blikken uit.
Een van de familieleden sprak zachtjes:
« Misschien voelde hij echt iets? »
De moeder van het kleine meisje rende naar haar toe en probeerde haar te kalmeren, maar het kind maakte zich los en schreeuwde:
— Papa huilt! Ik hoor hem! Hij is niet weggegaan! Waarom heb je hem opgesloten?
De vrouw viel op haar knieën naast de kist, haar lippen trillend:
« Wat heb je gehoord, mijn liefste? Wat heeft hij tegen je gezegd? »
Het kleine meisje, nog steeds snikkend, fluisterde:
— Hij zei: “Ik had daar niet heen moeten gaan… Ze hebben het expres gedaan…”
– WHO?
« Mijn oom, de broer van mijn vader. »
Deze woorden klonken als een donderslag.