Het begon niet met een schreeuwpartij of een grote ruzie. Het begon zoals veel familieproblemen beginnen: met iets kleins dat steeds opnieuw gebeurde, totdat het niet meer klein voelde. Het soort irritatie dat je in je buik opslaat en dat je leert wegslikken, omdat je anders “de sfeer verpest”.
Mijn schoonouders waren rijke mensen. Ze droegen merkkleding, reden in een auto die meer kostte dan sommige huizen, en spraken over vakanties alsof het weekendjes weg waren. Ze waren het soort mensen dat in een restaurant zonder naar de kaart te kijken bestelde, alsof prijzen alleen voor anderen bestonden.
En toch hadden ze één opvallende gewoonte die iedereen in de familie kende.
Wanneer het moment kwam om te betalen, werd ineens alles vaag. Portemonnees verdwenen. Telefoons moesten dringend worden beantwoord. Er waren plotseling “problemen met de bankkaart”. Ze waren nooit direct onbeleefd of agressief. Ze deden het op een bijna charmante manier, alsof het vanzelfsprekend was dat iemand anders het zou oplossen. En iemand deed dat altijd.
Meestal was het mijn man. Soms een oom. Soms een vriend die toevallig mee was. Het gebeurde zo vaak dat het een patroon werd. En ik, ik had er een hekel aan. Niet eens alleen om het geld, maar om het gebrek aan respect. Om het vanzelfsprekende idee dat hun luxe maaltijd door een ander betaald mocht worden.
Ik had al meerdere keren geprobeerd erover te praten met mijn man. Hij haalde dan zijn schouders op en zei dat het makkelijker was om het gewoon te laten. “Zo zijn ze nu eenmaal,” zei hij. “Als je er iets van zegt, maken ze er een drama van.”
Misschien was dat waar. Maar het maakte het niet minder fout.