Toen ze dichterbij kwamen, hoorde ik de vrouw zachtjes bestellen.
“Een cheeseburger… en kleine frietjes, alsjeblieft.”
Haar stem was rustig, maar er zat een vermoeidheid in die ik herkende. Niet de vermoeidheid van een slechte nacht, maar de vermoeidheid van iemand die al te lang sterk moet zijn.
Het meisje keek omhoog naar haar moeder en trok zacht aan haar mouw.
“Mama… mag ik het speeltje?”
Die vraag kwam zo vanzelfsprekend. Zo lief. Zo klein.
Maar ik zag de spanning in de schouders van de moeder nog voordat ze antwoord gaf. Ze aarzelde, haar ogen schoten even naar het menu, naar de prijzen, naar de kassa. En toen glimlachte ze, maar het was een glimlach die vooral bedoeld was om iets te verbergen.
“Misschien de volgende keer, lieverd,” zei ze zacht. “Laten we vandaag gewoon eten halen.”
Het meisje zei niets meer. Ze trok haar hand terug en leunde tegen haar moeder aan. Geen driftbui, geen gejammer, geen boosheid. Alleen een stilte die veel te volwassen was voor zo’n klein kind. Een berusting die me harder raakte dan tranen ooit zouden kunnen.
Dat soort stilte hoor je niet vaak bij kinderen. Het is de stilte van iemand die al geleerd heeft dat vragen niet altijd zin heeft.