Na een lange werkdag leek een klein gunstje in de supermarkt een volkomen gewoon moment. Maar twee ochtenden later klopte er iemand op mijn deur, en vanaf dat moment kreeg alles een andere betekenis: verdriet, dankbaarheid en een laatste verzoek dat mijn leven volledig op zijn kop zette.
Ik was zo moe dat ik in de rij voor het brood wel had kunnen huilen door het piepje van de kassa.
De neonlichten zoemden boven mijn hoofd, alles baadde in een overdreven fel, gelig licht, alsof de winkel zelf uitgeput was.
Mijn benen bonkten na een dienst van twaalf uur. Het was het soort pijn dat niet verdween met een warm bad of een kop thee. Eerder een ijzingwekkende herinnering dat ik, met mijn 43 jaar, niet zo jong ben als ik soms denk.
Ik wilde de aankoop gewoon snel afronden.
Ik had brood, melk, kaas en een kant-en-klaar diepvriesgerecht nodig waar ik niet over na hoefde te denken. Het gebruikelijke ‘overlevingspakket’ voor een moeder die al jaren niet meer de hele nacht had doorgeslapen.
Thuis probeerden mijn dochters, Ara (15) en Celia (17), hun huiswerk te maken terwijl ze verkouden waren. Het huis was halfstil, half aan het vervallen na de scheiding, en ik was op een punt van burn-out beland waarop zelfs het duwen van een winkelwagentje me te veel leek.
Ik bleef bij de ingang staan en schoof een verdwaalde haarlok achter mijn oor. Toen zag ik Rick, de winkelmanager, bij de kassa’s staan. Ik glimlachte zo goed als ik kon en liep naar hem toe.