Toen ik die zaterdagmorgen bij het landgoed aankwam en mijn oude sedan over het grindpad stuurde, bekroop me een knoop van onrust. Maar niets had me kunnen voorbereiden op wat ik in de keuken aantrof. Sasha, mijn dochter, stond voor de gootsteen, haar handen ondergedompeld in zeepsop, haar schouders gebogen alsof ze het gewicht van een instortende hemel droeg.
Haar haar, normaal gesproken goudkleurig en zorgvuldig verzorgd, was in een rommelige, warrige paardenstaart gebonden. De donkere kringen onder haar ogen waren zo diep en paars dat het leek alsof ze al dagen niet had geslapen. En ze huilde. Niet het luide, snikkende gehuil van een kind dat aandacht zoekt, maar het stille, hartverscheurende gehuil van een vrouw die zelfs de kracht niet meer had om een geluid te maken. Haar handen waren rood en gebarsten van de agressieve schoonmaakmiddelen en trilden lichtjes terwijl ze schrobde.
Achter haar, in de open woonkamer die aan de keuken grensde, heerste een complete chaos. Er waren minstens acht mensen. Daar was Omars moeder, Denise, die vrouw die me vanaf dag één had aangekeken alsof ik slechts een obstakel was. Zijn twee zussen, Taylor en Morgan, lagen languit op de meubels alsof ze de eigenaars van het huis waren, hun schelle gelach klonk als metaal dat over metaal schuurde. De jongere broer, Derek, met zijn vrouw en hun twee kinderen, renden als wilde beesten door het huis, totaal niet onder controle.
Ze lagen allemaal languit op de meubels die ik met mijn pensioenspaargeld had gekocht, met hun voeten op tafel, en eisten koffie, terwijl ze schreeuwden dat de gelei op was.
‘Sasha, waar is de suiker?’ riep Taylor, zonder ook maar op te kijken van haar telefoon, en sprak haar aan als een naamloze bediende.