Sinds mijn scheiding van haar vader had Karen niet meer met me gesproken. In haar ogen was ik degene die het gezin had kapotgemaakt. Ik had geprobeerd haar te bereiken, brieven geschreven, berichten gestuurd, maar alles bleef onbeantwoord. Ze had zich niet langzaam teruggetrokken. Ze was gewoon verdwenen uit mijn leven. Soms probeerde ik me te herinneren wanneer ik haar voor het laatst had gezien, maar zelfs dat moment leek te vervagen, alsof mijn eigen herinneringen me in de steek lieten.
Die avond brak er iets in mij. Ik keek naar de lege stoel en voelde een woede en verdriet die ik al jaren had weggestopt. Ik kon niet langer wachten. Niet nog een verjaardag. Niet nog een jaar.
Zonder mijn man veel uitleg te geven, pakte ik mijn jas en reed rechtstreeks naar het huis van mijn ex-man. Toen hij de deur opende, schrok ik. Hij zag eruit alsof hij al maanden niet had geslapen. Zijn schouders hingen laag, zijn ogen stonden dof. Toch stapte hij opzij en liet me binnen.