In een instelling is iemand niet langer ‘mama’, ‘papa’ of ‘oma’. Ze worden een kamernummer of een diagnose. Hun boeken, foto’s, routines en persoonlijke geschiedenis worden achtergelaten.
Het verliezen van een vertrouwde omgeving betekent het verliezen van delen van jezelf. Wanneer mensen hun eigen leven om zich heen niet meer herkennen, beginnen ze innerlijk te verzwakken.
Daarom treden depressie, angst, verwardheid en cognitieve achteruitgang vaak op na een opname in een instelling. Het is geen toeval – het is de prijs die je betaalt voor het losgerukt worden van je eigen identiteit.
Wat ouderen echt nodig hebben
Naast fysieke hulp heeft ieder mens vijf dingen nodig om te willen blijven leven:
Autonomie – het vermogen om keuzes te maken, zelfs kleine.
Doelgerichtheid – het gevoel nuttig en nodig te zijn.
Echte verbondenheid – niet alleen met mensen in de buurt, maar met mensen die hen echt kennen.
Continuïteit – vertrouwde ruimtes, routines en voorwerpen die hen verbinden met hun verleden.
Waardigheid – behandeld worden als een volwassene, niet als een hulpeloos kind.
Een instelling kan weliswaar voor het lichaam zorgen, maar laat de geest maar al te vaak verwaarloosd.
De opties waar weinig mensen over praten
Voordat je een onomkeerbare beslissing neemt, is het belangrijk om te weten dat er alternatieven bestaan:
Ondersteunde thuiszorg:
Een zorgverlener die een paar uur per dag langskomt, kan hulp bieden zonder de zelfstandigheid van de bewoners aan te tasten.
Wonen met meerdere generaties:
Een woning aanpassen zodat een oudere volwassene een eigen ruimte heeft, maar toch dicht bij de familie kan blijven.
Gezamenlijk wonen voor senioren:
kleine groepen die samenleven met ondersteuning, waardoor een natuurlijker dagelijks leven mogelijk is.
Dagopvang:
Verzorging en activiteiten overdag, met de zekerheid dat je ‘s avonds weer naar huis kunt.
Vaak kosten deze opties evenveel – of zelfs minder – dan een verpleeghuis, terwijl ze een veel betere levenskwaliteit bieden.